Geschiedenis


De naam Brummen komt voor het eerst voor in één van de oudste oorkonden over Gelderland en wel anno 794 in de vorm 'Brimnum'. Het gaat dan om de aanduiding van de plaats ('in villa que dicitur Brimnum') waar een bepaalde rechtshandeling wordt verricht, namelijk de schenking van enkele landerijen in Wichmond door graaf Wrachar aan de evangelie-prediker Liudger. 'Brimnum' betekent 'aan de zoom, oever gelegen woonplaats'. De naam Eerbeek komt voor de eerste maal voor in 1046 als aanduiding 'Erbeke'. De betekenis hiervan is 'bebouwde grond bij beek'.
Binnen de gemeentegrenzen liggen diverse andere kernen en buurtschappen, waarvan de benaming in sommige gevallen ook ver terug gaat. Soms kost het enige moeite om in de vroegere schrijfwijze de huidige benaming te herkennen. Aan de andere kant geeft zo'n oude benaming de beste aanwijzing voor de oorspronkelijke betekenis: - Leuvenheim (Louenem, 1046): 'woonplaats op een heuvel' - Rhienderen (Hrenheri, 796): 'heuvelrug bij waterloop' - Oeken (Ocanni, 797): ' plaat van aanplant' - Cortenoever (2e helft 14de eeuw): 'dicht bij de oever' (van de IJssel) - Voorstonden (Vorstonden, 1304): 'waarschijn van Voorst (=bos) en Tonden' - Tonden (Tunden, 1059): 'omheinde ruimte' - Empe (Suhtempe, 1046): gelegen aan 'water'
Het ontbreken van een zeer vroege vermelding zegt natuurlijk niets over de werkelijke ouderdom van een kern of buurtschap. Zo komt Hall pas in de twaalfde eeuw voor als 'Halle' ('bos op/bij hoge zandrug') in een opsomming van goederen van het klooster Werden bij Essen. De Hallse kerk is gewijd aan de al genoemde (Sint) Liudger. Dit wijst op een hoge ouderdom van de kerk, die hier stond voordat het huidige kerkgebouw, met zijn fraaie gewelfschilderingen, werd gesticht. Funderingsresten daarvan werden aangetroffen bij de restauratie in 1981.

Agrarische gemeenschappen
De Brummense kernen en buurtschappen zijn in de vroege Middeleeuwen geleidelijk ontstaan als agrarische gemeenschappen. In twee daarvan, Brummen en Hall, worden al vroeg kerken gesticht. Dit gebeurt in een tijd dat de bevolking in deze streken toeneemt. Eerst door "immigranten", die gevlucht zijn voor de Noormannen en later door de komst van bewoners van hoger gelegen delen van de Veluwe, waar de grond toen sterk uitdroogde.
Wereldlijke heren, de geestelijke instelling en (in de late Middeleeuwen) aanzienlijke families hebben de grond grotendeels in bezit. Hun voornaamste bronnen van inkomsten zijn het heffen van belastingen en het verpachten van gronden. Hoewel van hun vroegste geschiedenis weinig bekend is, moeten hier ook de marken vermeld worden. In deze streek waren dat de marken van Empe, Tonden, Oeken, Voorstonden, Hall en Eerbeek, Rhienderen, Brummen en Leuvenheim. Uit deze opsomming blijkt de nauwe band met de gelijknamige kernen en buurtschappen van boeren die grond in gebruik of bezit hadden en waarin de gemeenschappelijke belangen behartigd werden.